Kleine herinnering aan de reis van België naar Brazilië

begonnen den 17 maart 1909

Om 9u s’morgens vertrekken wij uit de statie te Exaerde naar Lokeren waar wij een uur moeten wachten vandaar vertrekken wij dan naar Gent waar wij ook een uur moeten wachten. Ik had gedacht hier een regenmantel voor Petrus en Ernest te kunnen kopen maar door de omstandigheid dat wij veel omhanden hebben om onze koffers te laten inschrijven zo blijft ons verder gene tijd over om de regenmantels te gaan kopen.

Wij vertrekken dus te Gent om 11u47 naar Rijsel waar wij aankomen om 2u45. Daar dineren wij, betalen per man 2,50 frank en vertrekken om 4u35 naar Boulogne sur mer, daar er echter anders niets is dan expres, zo zijn wij gedwongen tweede klas te nemen.

Het kost per man 11fr, zo dus kost de reis van Exaerde naar Boulogne 15 fr . Te boulogne aangekomen gaan wij eerst naar het bureau van de maatschappij die ons vervolgens naar ons hotel laat brengen waar wij heel goed dineren en slapen. Wij betalen hiervoor 40fr met 7 man, en dan hebben wij hierbij brood en koffie voor den 18sten.

Om 8u gaan wij naar den kleine boot Holland die ons naar den Amstelland brengt. Wij zijn zeer nieuwsgierig om de plaats te zien waar wij onze reisverblijf zullen te nemen hebben. Bij het eerst zicht zijn wij heel verheugd, wij hebben een hut voor 4 personen, juist dat wat wij altijd verlangd hadden. Toen het echter etenstijd wordt raakt geen van ons wat aan en allen gevoelen reeds hoofdpijn alhoewel het schip nog niet vaart. Toen dit dan om 1 en half uur namiddag begint te varen verergert de hoofdpijn nog en wij leggen ons allen te bed.

Daar blijven wij dan ook liggen tot den 20 sten zonder het minste te drinken of te eten . Van zeeziekte heb ik buiten mijn gewoonte nu hoegenaamd niets te lijden, ook Emma klaagt niet, alleen de kleine Emma en Helena hebben een paar maal moeten overgeven . Voor het overige is alles redelijk wel behalve den kost en de zwijnerij . En reeds op deze twee dagen heb ik het reizen op deze manier reeds duizendmaal vervloekt en ik geloof ook niet dat ik nog ooit als derde klas varken zal reizen indien mijne zaken mij het enigszins zouden toelaten. Ik krijg er allangscher meer mijn buik zo vol van dat het niet is om te beschrijven.

Wij zijn dus nu voor den derden dag in de Golf van Gasgongha of Biscaye, een slechte zee zonder weerga, het schip dat gaat dat het bijna onmogelijk is een paar schreden te gaan , daarbij is het nog heel koud en alle passagiers liggen in hun nest indien men het zo noemen kan, men zou beter kunnen zeggen ze liggen op hun britse.

Ik had aan boord 3 ligstoelen gebracht en ongelukkelijk zijn deze in het laadruim gestoken. En wanneer ik er naar vraag dan bekom ik een scheven antwoord dat begint mij dan ook zo te verdrieten dat ik naar den zaalmeester ga en daar eens oprecht begin op mijne poot te spelen, dat had dan ook geholpen want toen wij s’ avonds in bed liggen brengen ze onze stoelen. Gegeten of gedronken hebben wij dan nog niets als wat wij van thuis hebben meegeladen.

Des anderendaags den 21 sten is het zondag, ook de Spaansche zonne schijnt, dit te weten want het is alsof wij van den winter in den zomer verplaatst waren . En om 12 u s’middags komen wij in La Carona aan. Eerst toen wij in de haven zijn besporen wij pas hoe warm het hier reeds is. Wij kopen ons hier voor enige 10 fr oranges enz, enz… Ook gaan wij nu voor het eerst aan tafel, het is vandaag namelijk zondagseten en dat willen wij nu toch eenmaal niet verpassen. Wanneer wij aan’t tafel zitten is het met den honger weder gedaan en dan heeft men weer genoeg met den reuk. Ik maan echter de meisjes aan dat zij wat moeten eten, ik echter neem bijna nog niets, wij hebben overigens den buik vol orangen en dan ook gene honger. Ik denk dat den honger bij enige dagen wel vanzelfs zal komen .

Na hier 4 uur gelegen te hebben, licht om 4 en half uur het schip het anker naar VIGO. Als wij het anker gelicht hebben en wederom in volle zee zijn ( wij moeten namelijk een groten omweg doen om aan de zee te komen) begint het zo stilaan te regenen en er komt een nevel dat het spoedig avond wordt en daarbij fluit den boot den gansche nacht aanhoudend zodat er aan slapen maar hoegenaamd niet te denken valt. Het is dan ook 7 u s’morgens eer wij in Vigo aankomen.

Als wij daar aankomen ligt daar een Engelsch oorlogsschip, het is een kruiser met 3 schouwen. Een schoon en statig schip. Nauwelijks hebben wij het anker laten vallen of het oorlogsschip lost enige saluutschoten en vaart weg. Dat was nu weder ene nieuwigheid die wij vroeger nog niet gezien hebben . Wij gaan nu het oorlogsschip weg is, de stad bezien die op enige hoge bergen gebouwd is. Zij is zoals alle Spaansche steden, zeer schoon om te zien uit de verte . De huizen zijn zeer hoog en allen wit, geel , groen of rood ( huizen van ontucht ) geverfd. Uit de verte heel schoon van dichtbij is het echter niet zo lief, ze zijn alle gelijk hun bewoners : vuil .Kerken heeft men er overvloedig, men telt er van op het schip zo 21 en dat voor een bevolking van 15000 inwoners. Op straat ziet men op 10 man één priester, nochtans is het volk er niet beter om want voor een sigaret steekt men hier een persoon den “ponchard” (Spaansch mes) in het lijf. Wij krijgen hier ook nog een honderdtal passagiers aan boord, allen Spanjaarden . Ook laden wij hier verscheidene kleine scheepjes met kisten wijn.

Deze gaan alle in den buik van onzen Amstelland, zonder dat men ziet dat deze een duim dieper gezonken is. En schoon zicht is het hier ook te zien hoe deze schippers zeilen kunnen, ze varen tenminste zo zeer als den snelsten stoomboot, en op één ogenblik draaien ze zich om, dat het oprecht de moeite waard is om zien. Nu het schip stil ligt gaan wij s’middags alle aan ’t tafel en eten allen buiten verwachting met goeden apetijt.

Van nu af aan is er ook meer leven onder de passagiers, overal vormen zich groepen der nationaliteiten. Zoals Nederlanders waar wij ons bij houden, de Duitschers die tot nu toe het grootste getal zijn spreken over hun militaire inrichtingen, de Engelschen zitten te samen en spelen op over het slechte eten. Enige Franschen die aan boord zijn spreken over de kwade blikken van de Duitschers. Dan hebben wij een honderdtal Oostenrijkse joden die nu eenmaal op alle schepen waar wij op gevaren hebben veracht worden, die zitten ook te samen en klagen over de slechte behandeling. Dan liggen de Spanjaarden die eergisteren aan boord gekomen zijn, de eersten zeeziek en de laatsten nog dronken van de Spaansche wijn die ze nog in’t lijf hebben. Met één woord een tentoonstelling die voor sommige lieden geld zou waard zijn om te zien. Ik vergenoeg mij dan ook met rond te wandelen want in geen museum van de wereld kan men zoiets te zien bekomen.

Het is nu ongeveer 2 uur en als den bliksem verspreidt zich op den boot dat terug enige Engelsche oorlogsschepen aankomen, en waarachtig daar ziet men ze in de baai van Vigo verschijnen. Het zijn 3 kruisers, 2 met 4 schouwen en ene met 3. Als men ze zo ziet in de namiddagzon zou men zeggen het zijn zilveren schepen. Ze zijn zo grijsachtig wit geverfd en blinken dat men er bijna niets op zien kan. Ze komen dan tot tegen ons aangevaren en in onze onmiddellijke nabijheid beginnen ze weer de 21 gebruikelijke saluutschoten af te vuren. Men krijgt daarbij een gevoel alsof men reeds in den vollen oorlog was en onwillekeurig bukt men zich bij ieder schot hetwelk men tenminste 3-4 maal hoort weergalmen in de bergen . En zodra deze 21 schoten zijn afgevuurd, of het fort, welke volgens mijne schatting tenminste 400 m hoog is, beantwoord de saluutschoten met 21 andere. Het duurt ongeveer 12 seconden wanneer men het vuur gezien heeft en eer men de slag hoort. Dat is weer zoiets waar zich alle passagiers mee amuseren, ongelukkiglijk weder voor niet lang. Om 4 uur wordt het anker gelicht om Vigo te verlaten en weder het ruime sop te kiezen.

Men heeft echter tot den avond toe, op onzer linkerzijde de Kust van Spanje en Portugal waar honderden kleine dorpen zijn op den oever der zee. Dat moeten volgens mij meestal vischers zijn want er is maar weinig te zien van landbouw, daarbij schijnt het zeer slecht land te zijn want op vele plaatsen zijn het maar rotsen en stenen. Het graan dat men hier ziet moet reeds de hoogte tot aan de knie zijn, terwijl het in België nog slechts 4 vingeren hoog is.

Den avond passeert nu zonder verdere voorvallen behalve dat het s’avonds tamelijk koel is nochtans zijn alle passagiers aan dek en zingen en spelen, natuurlijk weder alle in groepen volgens nationaliteit, tot 10 uur s’ avonds dan wordt het stil als een graf. Ik kan niet slapen en sta eens op om aan een natuurlijke behoefte te voldoen, ik ga eens naar boven en denk bij mij zelven dat het schip wonderwel gelijkt op een overgroot ei, het welke honderden kiekens bevat die toevertrouwd zijn aan ene persoon dewelke al deze levens in handen heeft. Onwillekeurig denkt men dan in den nacht aan de grootheid der natuur en de vindingrijkheid der menschen, en stil gaan mijne gedachten ook eens naar alle die mij dierbaar en lief zijn en roep ze uit deze verre verte een hartelijke goede nacht toe. En dan gaat men weer naar de kooi met een zwaar gemoed, maar weldra wordt men ontvangen in de ‘s slaaps armen en dan droomt men weder zoet en weet men weer niet meer dat men op zee is.

S’ anderdaags s’morgens komt weder de ene verrassing achter de andere, het één schip volgt het andere op, de zee is zeer schoon en aan onze linkse zijde hebben wij een schoon afwisselend landschap: de kust van Portugal. Om 1 uur s’ middags varen wij de Reijo op, het is een zeer schone brede stroom, wel 10 maal zo breed als de Schelde te Antwerpen.

Vooralleer wij quarantaine enz.. gepasseerd hebben en te Lissabon zijn aangekomen is het reeds 4 en half uur in de namiddag als wij aan de kaai liggen. Maar gedurende deze uren hebben wij ons prachtig geamuseerd met de oevers der Reijo te bezien, de schoonste zichten ter wereld worden hier ten toon gespreid, bijzonderlijk wanneer wij rechtover Belem ( voorstad van Lissabon)komen. Hier staat het Koninklijk Paleis op een zeer hoge berg en te midden van een overgroot schoon woud, aangelegd van alle soorten van bomen uit de warme landen die nooit hunne bladeren verliezen. Dat maakt nu op ons nog een grotere indruk gezien wij over 5 dagen niets zagen dan bladerloze bomen. Ook het paleis op zichzelf is bijzonder schoon en volgens mijne schatting moet men tenminste van deze zijde 400 vensters zien, en daartegen aan op ongeveer 1000 meters van het paleis ligt het kerkhof van Lissabon, volgens zeggen het schoonste en grootste van heel Europa. Dit ligt ook op de helling van een berg en geeft van op de rivier een zicht zonder weerga. Dan heeft men ook tot op grote afstand van Lissabon op alle bergen forten en ik geloof dat deze stad als oninneembaar van ene mogendheid mag aanschouwd worden. Met één woord zo enige uren van genot doet reeds veel ontberingen dezer reis vergeten. Nu zijn wij aan de kaai te Lissabon en daar vele passagiers willen naar de stad gaan, zo besluiten ook wij eens een wandeling in de stad te gaan doen.

Toch bij de eerste schreden op vasten grond treft ons reeds een verrassing, de kaaimuur is hier namelijk aangelegd door ene exploiterende maatschappij en voor iedere passagier die ofwel het schip verlaat of er weer opkomt wordt en een uit- of inkomkaart gegeven waarvoor men per persoon 1 fr betaalt, zo dus voor 4 man 4 fr. Wij zijn daar ongeveer driekwart uur van de volle stad verwijdert en daar wij slechts 2 en een half uur hier blijven, zo besluiten wij ene voituur te nemen. Wij rijden in open voituur door de stad , wij doen dit nog te meer daar ons juist invalt dat het vandaag Helena haar 12ste geboortedag is en wij dit op deze manier willen vieren. Wij rijden en betalen per uur 5 fr, wij verwonderen ons grotelijks in de hoven en openbare parken reeds de schoonste bloemen open te zien staan, daarbij de schoonste palmen die men dromen kan. Wij rijden dan tot aan de Praca de Commercio( koophandel) waar de koningsmoord heeft plaats gehad, de koetsier wijst ons waar en hoe dit gebeurd is, we rijden vervolgens nog één der bijzonderste straten door tot als het uur bijna voorbij is. Wij stijgen uit, betalen en kopen vervolgens een 20 postkaarten en verzenden ze. Wij gaan vervolgens ook in een winkel om een reiszak en een regenmantel te gaan kopen,wij vinden alles te overdreven duur en kopen niets.

Wij gaan dan in een drankwinkel of herberg welke meer gelijkt op een Braziliaansche dan Europesche winkel, eten en drinken wijn met ene zoute koek en vragen aan den baas welken tram wij nemen moeten. We nemen hem en komen juist om 1 uur aan boord. Den indruk van Lissabon is betrekkelijk goed doch zijn wij 25 frank kwijt aan wij weten eigenlijk niet aan wat. De stad kan men bepaald als heel schoon en zeer bewogen aanzien maar men kan toch zien dat hier gansch andere gebruiken bestaan dan in het noordelijke Europa. Ten eersten de open winkels en uitstallingen van koopwaar enz enz…kan men zien dat men het met een heel ander volk te doen heeft, aan luxe mankeert er hier ook niets want deze mag tenminste bij Brussel of enige andere grootstad van de wereld vergeleken worden.

Men is oprecht weder tevreden als wij weder aan boord zijn. Daar heerst nu een lawaai dat horen en zien vergaat. Portugeeschen die even aan boord gekomen zijn en nog verhit van den drank, zingen en dansen. De Spanjaarden die voor hunne zuidelijke broeders niet willen onderdoen spelen gitaren, en mandoline de Duitsche Nederlanders en tenslotte wij die allen in de stad geweest zijn en ook allen wel een beetje onder de indruk van de Portugeesche wijn geraakt zijn, die trachten ook niet het onderspit te delven en zingen zo hard het hunne longen het enigszins toelaten (Die Nacht am Rhein). Met één woord in Babel kan er nooit een schonere foor bestaan hebben, wij zijn dus oprecht tevreden wanneer dit spektakel om 10 uur ophoudt om plaats te maken voor een doodse stilte waarvan de 3 gebruikelijke aftochtsignalen der stoomfluit die grollen als een storm in de nacht en onmiddellijk gevolgd worden door het ééntonige stampen der schroef die aantoont dat wij Lissabon aan ’t verlaten zijn en nu voor lang niets anders dan water en lucht zullen te aanschouwen krijgen, namelijk 16 à 17 dagen en wel tot Rio de Janeiro.

Onmogelijk de gevoelens neer te schrijven die nu in een persoon opkomen tegen vroeger. Want als wij over ongeveer 20 jaar geleden deze reis deden dan dacht men niet aan het zijn 17 dagen, die gaan voorbij als een zachte droom, maar nu denkt men zoal van alles en ook dat het 17 dagen zijn die van ons levensbrood worden afgesneden en waar men gene zekerheid heeft of men niet reeds aan het laatste kantje aan het snijden is.

Wat zal men nu schrijven, nu juist als ik meenden niets te zien als lucht en water, nu zie ik weer alles in mijnen geest natuurlijk en vertel met vrienden maar alles inbeelding ik wil zeggen alles dromen. En waarlijk deze dagen droomt men als men wakker is en dat ondervindt men eerst als er u van iemand iets gevraagd wordt dan geeft men gewoonlijk ene verkeerde antwoord. Den eersten dag na ons vertrek gaat dan ook zo voorbij tot tegen den avond dan is het op den boot weder als op een jaarmarkt, van alles loopt er rond en nu tot het donker wordt tonen de menschen wat zij zijn, het is als durfden zij bij daglicht niet tonen wat zij zijn. En waar men in den wereld ook komt het is overal hetzelfde.

Nu wil ik mijn boekje maar enige dagen wegleggen want als ik nu alle dagen moest gaan noteren komt het toch altijd op hetzelfde uit en dat zou op den duur toch te langmelig worden. Echter reeds den tweeden dag zie ik mij reeds weder gedwongen het weder bij de hand te nemen, het is nu den 25 ste maart, O.L.V.Boodschap, aan boord ziet men echter niet dat het Heiligendag is want alle dagen zijn nu eenmaal gelijk. Zo omtrent 3 uur in de namiddag krijgen wij het eiland Teneriffe in zicht. Wij varen echter tot 6 uren als wij rechtop de stad Santa Cruz zijn. Wij blijven tamelijk ver af dat wij wel de huizen in groep maar niet één voor één kan onderscheiden. Ik wil hier ook trachten enigs te schilderen over ligging van dezer groep eilandjes. Zij ontstaan regelrecht omhoog uit de diepte van den oceaan die hier volgens zeggen der officieren een diepte heeft van 4000 meter. Het hoogste punt der eilandjes is heel goed te bemerken en is met sneeuw bedekt, alhoewel het hier beneden toch verschrikkelijk warm is. De hoogste top is volgens zeggen 2600 meters, voor het overige is bijna de gehele grond rots en bergachtig en schijnt niet goed geschikt te zijn voor enige landbouw Hiermee en met de gewone kermis des avonds sluiten wij den 10 de dag onzer reis.

Wat zou ik den volgende dagen wel schrijven, welnu als ik dit nu eens zoude doen het zou toch een grootse herhaling zijn en er zijn weder 3 dagen zonder enig merkwaardig voorval. In den valavond van den 28 ste zien wij uit de verte de eilanden Cap Verde. Wij blijven echter ver af zodat wij niets onderscheiden kunnen dan aan de horizont enige bergen. Voor het overige niets meer, als dat er van alle nationaliteiten met een vraaglijst rond lopen om geld in te zamelen om tegen het passeren der middaglijn een feest te samen te stellen.

Ik als enige Belg aan boord sluit bij de Nederlanders aan en teken ook een gulden in. Het belooft een schoon feest te worden gezien allen om ter meest naar trachten om de kroon te spannen. Nu loopt men rond om aan alle nationaliteiten hunne volkspelen te vragen. Ik ook geef er enige aan onder andere zaklopen, naar de 0 schrijven enz enz… die moeten nu door de feestcommissie beoordeeld worden de welke het gemakkelijkst en praktisch uitvoerbaar zijn. We zijn heden den 2 de april en zullen volgens zeggen der officieren vandaag om 4 uur namiddag de evenaar passeren. Vandaag is het ook een dag vol beweging aan boord.

S’ morgens als wij opstaan zien wij ten eersten 2 stoomschepen, rond de middag passeren wij een zeilschip van gansch nabij. Het is echter zo stil dat men niet zien kan of het een stap vooruit gaat, men ziet zo 7 of 8 mannen aan boord, dat moet echter verdrietig zijn zo op de oceaan te zwalpen. Bijzonderlijk hier, het is namelijk zo heet dat het bijna ondragelijk is. Ook maakt dit een indruk op de passagiers en op diens hoofd dat er tot aan de middag reeds 4 maal ruzie aan boord geweest en gevochten is, en dan geeft het bij iedere ruzie zo een oploop.

Zo om de middag verspreidt zich het nieuws aan boord dat er een nieuwe passagier aan boord gekomen is, namelijk een Russische vrouw heeft het leven geschonken aan een meisje en dat wel juist als wij den evenaar passeerden. Wij krijgen dan ook het eilandje Sint Paul in zicht juist aan den evenaar. Het zijn eigenlijk alleen een groep rotsen welke enige 20 meters boven de waterspiegel uitsteken en alleen bewoond zijn door duizenden en duizenden vogels. De rotsen zijn dan ook bedekt met een laag vuilnis welke wel zeer dik moet zijn want alhoewel wij er wel 2000 meters afblijven kunnen wij toch duidelijk onderscheiden dat de stenen bedekt zijn met mest van het jarenlange verblijf dezen vogels. Juist als wij met vergrootglazen naar al deze wonderen staan te zien komt er weer een steamer op ons toe gevaren.

Hij komt dan ook zeer nabij ons en vaart tussen ons en het eilandje door . Het is de Engelsche snelboot Aragon van de Mala Real Anglaise , deze boot loopt in 16 dagen van Rio naar Southampton . Wij kunnen ook duidelijk de passagiers onderscheiden. Eindelijk wordt het dan weder avond na een dag van ene warmte gelijk men zich in België gene kan voorstellen. Men smacht dan naar den avond gelijk den visch naar het water. Met den avond komt ook de vreugde want wij zijn nu de middaglijn gepasseerd, dit kan men natuurlijk niet zien maar men kan het ogenblikkelijk gewaar worden aan de wind die op dezelfden ogenblik van de tegenovergestelde richting waait en dan ook veel koeler is dan aan de noordelijke zijde. Aan de noordzijde heeft men de Afrikaanse lucht en aan de zuidzijde Zuid-Amerikaanse welke zeer koel is.

Des anderendaags zaterdag is het Neptunusfeest, den god der zeeën. Deze komt om 8 uur met zijne ministers en zijne staf aan boord en begeven zich in groot gewaad naar een daartoe gemaakte bak uit waterdichte zeildoek welke ongeveer in een meter water hoog staat. Hier wordt nu de doop gedaan. De dopelingen stijgen de ene na den andere in de bak, maar eerst moet hij geschoren worden, hij wordt dus op een bank neergezet die in den bak met water staat, ingezeept met enen grote witborstel en dan geschoren met een groot houten scheermes.

Eer dit gedaan is wordt hij bij de benen genomen en zo in het water omgetuimeld, deze door het onverwacht bad van zout water springt recht met den mond wijd open maar daar treft hem in volle gezicht de stoomspuit van het schip dat hij met alle moeite van den wereld uit den bak kan geraken en meer dood dan levend weer op het droge dek komt. Er zijn er enige 80 die zich zo laten dopen en met deze nieuwigheid is het weder middag geworden. Des middags moeten de aangekondigde volksspelen een aanvang nemen, men begint dan ook met de wedloop met hindernissen, t’is eigenlijk geen lopen men moet namelijk door 2 windbuizen kruipen, een werk dat bijna onuitsprekelijke inspanningen en rapheid vergt, het is een Duitscher die den 1ste prijs wint. Daarachter komt kruiwagen lopen, den prijs wordt gewonnen door 2 Denen, gewezen officieren welken men aanzien kan dat ze geoefend zijn. Daarna heeft men het reeptrekken, een spel waar 10 tegen 10 gesteld worden die aan een reep in tegenovergestelde richting trekken, de ploeg die de andere van de plaats trekt heeft gewonnen. Zo komen er 10 ploegen waaronder 1 Hollandsche, 3 Duitsche, 1 Fransch, 2 Engelsche, 1 spaansche en 1 Portugeesche. Er wordt nu getrokken maar dat verandert weldra in een nationaliteitskamp. Zo trekken wij de Hollandsche tegen een Duitsche ploeg en verliezen geheel gemakkelijk, daar er wel een 4 honderdtal Duitschers aan boord zijn is het een oorverdovend handgeklap omdat wij verliezen.

Zo wordt er nu getrokken tot als er slechts 2 ploegen blijven een Duitsche en 1 Portugeesche, die natuurlijk de sterksten van wel 300 mannen uitgezocht hebben . Nu is het echter een lawaai om deze mannen te plaatsen dat horen en zien vergaat en overal zijn ze bereid om op leven en dood zelfs te te vechten .

Daar ik nu weer de enige aan boord ben die Duitsch, Portugeesch en Vlaamsch of Hollandsch spreek , zo moet ik van t’ één naar ’t ander lopen om hier en daar een ruzie te stillen tot dan eindelijk kan getrokken worden en de Portugezen het de eerste maal winnen, er moet echter een tweede maal getrokken worden maar nu zijn de Portugezen als wilde dieren en huilen en roepen dat ze de sterkste natie van de wereld zijn, de Duitschers blijven koudbloedig, stellen zich klaar en eindelijk klinkt het signaal . Op het eerste ogenblik ziet het uit of de Portugezen weder zouden zegepralen maar dan leggen zich de Duitschers bijna plat achterover en dan moet de andere ploeg zich geven en moeten met de Duitsche mee . Nu gaat er weder van Duitsche en in’t bijzonder van alle andere nationaliteiten een handgeklap en van Portugeesche zijde een fluiten op dat men net zouden denken als men is in volle oorlog, en daar ze nu nog éénmaal moeten trekken voor den einduitslag,is dat nu een bijna vechten en stoten tot als ik voorstel slechts de officieren erbij te laten

dat gaat nu ook tot als ze aantrekken, maar nu zijn ook de Duitschen wild en van den eersten second als het signaal gegeven werd moest de Portugeesche ploeg zich geven maar volgens het nadien scheen te blijken had er 1 Duitsche teveel getrokken, hiervoor een nieuw lawaai en geraas. Nu worden allen uit den kring gebannen en mogen slechts de scheidsrechters, ik en de officieren blijven. Ze worden nu snel opgesteld en weldra weer het signaal gegeven, de Duitschen blijven winnen terwijl de Portugezen die allen op het voorschip gelogeerd zijn onder oorverdovend gefluit het achterschip verlaten dat heeft nu voordeel dat er een haat meer bestaat tussen het volk aan boord en dat voor de overige spelen de Portugezen uitgesloten worden. Het was dus ook allerhoogste tijd want anders waren er doden gebleven. Het was in dien tijd reeds zondagavond geworden.

Ik heb bij dezen schrijven echter vergeten dat er zaterdagavond een theatervoorstelling heeft plaats gehad waar nu eenmaal Hollandsche, Vlaamsche, Fransche, Engelsche, Duitsche, Deensche, Russische liederen gezongen werden. De kroon spanden echter de Spanjaarden waarbij er twee studenten waren die een wonderschoon lied gedicht hadden ter ere van Kapitein en officieren der Amstelland. Dees lied klinkt oprecht wonderschoon als ook enige andere Spaansche nationalliederen klinken zeer goed en worden allen voorgedragen door een 15 tal goed afgerichte zangers en op maat van enen der studenten ’t welke een zeer goede zanger ja zelfs wel muziekmeester is.

Reis naar Brazilië begonnen op 17 maart 1909